
Een koude woensdagmorgen kust voorzichtig de wereld wakker, terwijl het in mysterieuze mist gehulde landschap voorbij schiet vanachter de beslagen vensters in de betrekkelijk rustige treincoupé. De slaperige forenzen, die op het kruispunt van verlangen naar een warm bed en nieuwsgierig naar een nieuwe dag staan, bladeren rustig door de ochtendkranten. Een vlugge blik leert ons dat de NAVO verwikkeld is in een complexe situatie in Libië, waar de warme klanken van de revolutie door de straten van Tripoli rollen. De VN daarentegen kampt met een geheel ander probleem: Israel en Palestina bepalen in hoge mate de agenda door een conflict van decennia oud nieuw leven in te blazen. Ondertussen koprolt het IMF van persconferentie naar persconferentie, in een ultieme poging om het economische geweld van de Europese schuldencrisis te bezweren.
De week van de vleeswaren? Eerder de week van de internationale instituties. De reeks nieuwsberichten – waarin afkortingen prominenter aanwezig zijn dan het water in het Rapenburg – zijn in feite incidenten in een meer abstracte ontwikkeling: internationale instituties spelen een steeds grotere rol in de politieke en economische realiteit. Inherent aan dit gegeven is de probleemstelling waarom soevereine staten deze internationale instituties creëren. In abstracto zijn er immers talloze elementen op dit gegeven af te dingen, zoals de effectiviteit van deze instituties en de vraag waarom staten soevereiniteit afstaan in een globaliserende wereld waarin soevereiniteit steeds zeldzamer dreigt te worden. In dit essay wil ik dieper ingaan op de vraag waarom soevereine staten internationale instituties creëren. Middels twee prominente theoretische perspectieven, namelijk het realisme en liberalisme, probeer ik een antwoord de formuleren op deze vraag en kijk ik welke theorie het meest overtuigend is.
De eerste theorie is het realisme. Dit denkbeeld gaat ervan uit de mens van nature een slechte kern heeft – denk bijvoorbeeld aan egoïsme en jaloezie – en dat dit onveranderbaar is. Het doel van de staat is overleven en macht, dit laatste bepaald hoe een staat zich gedraagt. Buiten de staat heerst er anarchie omdat er geen overkoepelende organisatie c.q. ordenend principe is, waardoor de staat is aangewezen op zichzelf – dit heet selfhelp. In het realisme is de staat één geheel, men kijkt dus niet naar interne zaken. Dit komt vanwege het idee dat het niet uitmaakt wie er aan de macht is: ieder handelt uiteindelijk toch vanuit het belang van de staat en die blijft altijd hetzelfde. Het veiligheidsdilemma wordt opgelost middels een machtsevenwicht waarbij er een bipolaire situatie is, uitgaande van twee machtsblokken die elkaar in evenwicht houden. Het is duidelijk dat het doel van het realisme het verklaren van de internationale betrekkingen is.
De tweede theorie is het liberalisme. Deze visie gelooft net zoals het realisme dat de mens van nature een slechte kern heeft, maar dat dit wel verholpen kan worden door middel van socialisatie en educatie. Het doel van de staat kenmerkt zich door begrippen als vrede, veiligheid en internationaal recht, en de natuur van het bestuur – democratieën versus dictaturen – bepalen het gedraag van een staat. Ook het liberalisme gelooft in een anarchistische wereld, dit kan echter worden opgelost via internationale instituties zoals de Europese Unie. Er wordt in deze theorie wel degelijk gekeken naar de interne huishouding van een staat zoals leiders en staatsvorm. Het veiligheidsdilemma wordt opgelost via de verspreiding van democratie en het instellen van internationale instituties. Het is dan ook niet gek dat deze theorie met name voorspellend is omtrent hoe de wereld in elkaar zou moeten steken.
Het intrigerende is dat wat betreft internationale instituties beide theorieën sterk uiteenlopen. De realisten in de leer der internationale betrekkingen geloven dat soevereine staten alleen zullen samenwerkingen als men er voordeel bij heeft, het eigenbelang staat voorop. Zodra dit niet meer geldt houdt de samenwerking acuut op en in de praktijk zien realisten geen heil in internationale instituties, of zoals Donnely omschrijft: “Institutions (…) can usually be ignored because they rarely exert a significant influence on the interests or interactions of states in anarchy.” De liberalen daarentegen geloven juist in internationale instituties omdat volgens hen alle actoren daar baat bij kunnen hebben en dit het idealistische toekomstbeeld dichterbij brengt. Internationale instituties kunnen ordenende principes in de anarchistische internationale betrekkingen zijn en bijvoorbeeld veiligheid, vrede, democratie en recht verspreiden.
Volgens het realisme creëren soevereine staten internationale instituties omdat ze daar op de korte termijn baat bij hebben en volgens het liberalisme gedragen staten zich zo omdat dit op de lange termijn voor iedereen gunstig is. Wie heeft er gelijk? Deze retorische vraag is lastig te beantwoorden en voortdurend onderwerp van debat in de internationale betrekkingen. De Europese Unie is in deze context een belangrijk verhaal, omdat dit in feite een uniek project in de wereldgeschiedenis is waarbij staten vrijwillig soevereiniteit afstaan aan een supranationale organisatie, en dit voor decennia ongelofelijk goed heeft gewerkt: de EU heeft het Europese continent vrede en welvaart gebracht. Voor liberalen is dit dus een prachtig argument om hun theorie kracht bij te zetten. Ondanks het zware weer waarin de EU verkeert hebben de liberalen mijn inziens gelijk. Ik ben benieuwd of er slaperige forenzen in de trein zitten die beseffen welke omvangrijke theorieën er achter de simpele krantenkoppen zitten!